| |



DE
OUDE HAVENSTAD SOUSSE
Verwaarloosde stad vol toeristen
Hoewel ik om acht uur opsta, kom ik pas
tegen half elf echt in beweging. Natuurlijk heb ik ontbeten, een uitgebreid
bad gepakt en zo, maar ik heb nog niet besloten wat ik vandaag ga doen. Ik
besluit met de bus naar de nabijgelegen havenstad Sousse te gaan. De busrit
duurt een kwartiertje. Aanvankelijk leek de hemel volledig bewolkt, maar later
klaarde het gelukkig snel op en werd het nog een zonnige dag. Ik zwerf wat
doelloos door deze ietwat verwaarloosde stad van 300.000 inwoners. Er lopen
genoeg andere toeristen rond, met als voordeel dat je niet als een
bezienswaardigheid wordt beschouwd. Een vervelend, nadeel is evenwel dat
iedereen je iets wil aansmeren, een graantje van jouw welgevulde beurs
wil meepikken. Ik wil de Ribat bezoeken, maar die is om onverklaarbare redenen
dicht, dus loop ik er maar eens omheen. De Grote Moskee laat ik links liggen;
trouwens, 's middags is die toch tot verboden terrein verklaard voor
ongelovige honden zoals ik.
Chistelijk knekelveld en wilde honden
Ik ga op weg naar de
hooggelegen Kashba en volg een route langs de oude stadsmuren, die wel goed
onderhouden en nog niet zo lang geleden gerenoveerd zijn. Ook de Kashba en
het nabijgelegen museum zijn tot 2 uur dicht. Een stuk verderop ligt een
christelijk kerkhof, na dat van Tunis het enige in dit land. Ook
dicht, maar ik laat me deze keer niet uit het veld slaan en klauter over de
muur.
|
Wat ik dan zie grenst aan het
ongelooflijke! Er staat bijna geen enkel graf meer recht overeind, geen zerk
is ongeschonden. Welke vandalen (de historische Vandalen hebben in deze
streek trouwens honderden jaren lang gewoond) zouden hier hebben huisgehouden?
De plaatselijke bewoners hebben er een kudde schapen doorheen gejaagd die nu
op haar gemak tussen de graven loopt te grazen. Overal op de grond ligt
menselijk gebeente, vooral de schedels vind ik luguber. Dit verdient echt de
naam knekelveld. Midden op het terrein word ik opeens belaagd door een meute
verwilderde honden. Ik breng me in veiligheid door op de graven te springen en
met stenen te gaan gooien. Op het geblaf en gegrauw komt een troep
straatjongens af die me schreeuwend en ook stenengooiend ontzetten. Ik toon me
dankbaar en maak een praatje, maar ja, al gauw worden de handjes in bedelstand
geheven en lees ik het woord baksjies van hun lippen af. Ik heb geen kleingeld
bij me (ik lijk wel een plaatselijke ober hier), maar maak als tegenprestatie een foto van het
clevere kereltje dat hun aanvoerder blijkt te zijn. Ik beloof de foto op te
sturen naar het adres dat ze voor me opschrijven.
|
 |
Allah
redt mij van messentrekker
In de verte zie ik een
poortje naar buiten openstaan, maar als ik het bereik is het ineens dicht en
staat er een oude verslonsde Arabier voor. Hij heeft achteloos een groot mes
in zijn handen. Ik denk, verrek, voor die ga ik niet opzij en begin in het
Frans tegen hem te ouwehoeren. Hij geeft geen krimp, waarschijnlijk verstaat
hij die taal niet. Het mes blijft in zijn handen,en hij maakt geen aanstalten
om de poort voor me open te doen. Opeens begint de muezzin vanaf de minaret de
grootheid van Allah en Zijn Profeet (God hebbe Zijn Ziel) te bezingen: oproep
tot gebed. Ik zie mijn kans schoon en zeg in het Arabisch "Salat, salat,
insjallah!". En jawel hoor, die tactiek heeft succes, de sjofele belager
knipt zijn mes dicht, grijnst me tandeloos toe en opent gewillig het poortje.
Mijn rudimentaire kennis van de Moslimse eredienst heeft hem tot bezinning
gebracht, mijn woorden betekenen immers "Bid, kom tot het gebed, Allah
wil het zo" of iets van die strekking. Als ik omkijk zie ik hem op
dezelfde plek staan, alsof hij uit het voorgeborchte van de hel komt. Hij
roept me nog iets toe, ik meen te verstaan “Masj Allah"
hetgeen zoveel betekent als "Ga in vrede". Ondertussen ben ik wel in een
onvervalste achterbuurt terecht gekomen, waar ik wel degelijk een
bezienswaardigheid vorm. Slalommend tussen de plassen zoek ik een uitweg in
het labyrint. Bij een winkeltje drink ik een cola en vraag ik de weg. De
eigenaar is een sympathieke baas die denkt dat ik Fransoos ben, hoe bestaat
het. We praten over de kwaliteit van het brood en het almaar stijgende
prijspeil van de primaire levensbehoeften in het land. Eenmaal terug in de
beschaafde wereld schaf ik me de dagelijkse krant aan, ik koop er een rol
koekjes bij. Ik word er bediend door een naar schatting 7-jarig jongetje en
wel vlekkeloos.
Heel anders dan die straatjochies een half uur eerder.
Archeologisch
Museum en stadsmuren
Klokslag twee uur loop ik het museum
voor archeologie binnen. Het is er niet druk. Ze hebben er mooie mozaïeken.
Vanaf het hoog gelegen terras maak ik foto's van de stad. De aanpalende kashba
kom ik niet binnen en wel om de eenvoudige reden dat ik de ingang niet kan
vinden. Nergens wegwijzers of iets dergelijks voor zo'n toch belangrijke
bezienswaardigheid. Ik weiger iemand ernaar te vragen en maak in plaats daarvan een lange wandeling over de muren van de stad. De hele
omtrek is ongeveer 5 km, ik draai me om na 2 km, want dan kan ik niet meer verder. Ik
ben de enige wandelaar tot mijn verbazing. Ik moet er eerlijkheidshalve bij
vermelden dat ik de ingang tot die muren slechts toevallig had gevonden door
brutaalweg een openstaand poortje in te lopen. Nee, van toeristische organisatie
heeft men hier weinig kaas gegeten. Als ik een foto van de muren wil maken word
ik onverwacht tegengehouden door een zwaarbewapende militair; geen foto's hier.
Verbaasd informeer ik waarom niet? Hij wijst naar een politiebureau zo'n 100 m
verderop, in hun ogen een strategisch object en dus verboden te fotograferen.
Hoofdschuddend stop ik mijn camera terug in mijn schoudertas."Wichtigmacherei"of
gewone paranoia, dat is het volgens mij.
 |
 |
Een onguur kaarthol
Even later slurp ik inktzwarte koffie
in een soort café vol trictrac- en kaartspelende mannen die om het
hardst schreeuwen. Ik denk dat zelfs broer Corné hier zou genezen van zijn passie
voor het kaartspel. Het hol ziet er blauw van de sigarettenrook en het gerochel
is er niet van de lucht. Het valt me mee dat ze de rotzooi niet gewoon op de
grond uitkotsen. Ik word er niet bepaald enthousiast ontvangen, waarom eigenlijk
ook. Ik krijg wat ik bestel en daar gaat het om. Buiten in de buurt van het
autobusstation zitten met henna geverfde Berbervrouwen op hun hurken te bedelen,
natuurlijk met een in lappen gehulde zuigeling op de schoot, het kan niet
missen. Zo'n stereotiep
baby’tje schijnt het goed te doen bij de toeristen. Ook valt het me op dat in
deze buurt de bruine, kameelharen bournous een populair kledingstuk is.
In de veelheid van talen die bij de
bushalte wordt gesproken ontdek ik onmiskenbaar Limburgs plat. Het blijkt te
horen bij een kwartet Vrouwenbondachtige dames die alleen op stap zijn en zo te
zien (en te horen) allemachtig veel lol hebben.
Corruptie en machomentaliteit
|
 |
Voor het avondeten heb ik nog een
afspraak met hostess Tascha. Er zijn geen andere klanten dus wordt er gezellig
gekeuveld. Ze heeft MEAO - toerisme gedaan en werkt sinds 2 jaar in deze
branche, o.a. in Turkije en Moskou. Tunesië staat haar tegen, vooral vanwege
die eeuwige corruptie in alle lagen van de bevolking en de machomentaliteit
van de mannen. Ze is niet meer verkouden. Ik betaal de excursies aan haar.
Die avond hebben we een uitgebreid buffet. Weer gezeik om een tafel. Ik slaag
er in om een tafeltje helemaal voor mij alleen te veroveren. Ik ga twee keer terug en
proef van alles wat. Ik neem zelfs twee toetjes! Na het eten vindt mijn normale
avondritueel plaats: naar boven tanden poetsen en lezen. Naar beneden
strandwandeling en/of twee pintjes in de coffeeshop. Tenslotte weer naar boven,
twee whisky’s en slapen. Meestal neem ik de trap naar boven. Met al dat eten
moet ik extra aan mijn conditie denken.
|

Strand en hotelwijk bij Sousse

|