RONDREIS
LANGS ROMEINSE RUÏNESTEDEN

Mensen oppikken
in alle vroegte
Om vijf uur in de ochtend
rinkelde de telefoon, een uur eerder dan afgesproken. Foutje van de receptie. Ik
sliep niet meer in. Het minibusje dat me zou oppikken kwam een half uur te laat
aan. In Port Kantaoui moest ik overstappen in een overjarige grote bus. Het
gezelschap was opnieuw erg gemêleerd. De microfoon van de ongeschoren
reisleider in jeans was ondeugdelijk, de menselijke stem werd er
mechanisch in vervormd. De hele reis verstond ik geen woord van de
ingeblikte uitleg van de gids. Ik begreep niet waarom niemand daartegen
protesteerde, of zou het dan toch alleen maar te wijten zijn aan mijn eigen
ondeugdelijk hoorapparaat?
De Romeinse
ruïnes van Dougga
We reden via het stadje
Zaghouane, dat schilderachtig tegen de hellingen van de gelijknamige Djebel
(berg) aangeplakt ligt, het binnenland in. Aanvankelijk zag het er tamelijk
vruchtbaar uit met veel olijfbomen en tarwevelden, maar allengs kreeg de droogte
het landschap in zijn greep. Om half elf bereikten we de ruïnestad Dougga
(Romeins: Thugga, op zijn top 90.000 inwoners). Je kon goed zien dat hier ooit
een echte stad heeft gestaan, mede dankzij de vele restauratie werkzaamheden.
Ik vond het echt de moeite waard. Ik bekeek de zaak op eigen houtje. De groep
sjouwde als eendjes achter de gids aan. Ik bekeek en fotografeerde
achtereenvolgens:
HET ROMEINSE DOUGGA
|
 |
 |
De Romeinse
stad Thuburbo Majus
We aten in het nabij gelegen tweesterren hotel: minestronesoep, macaroni
met kalfsvlees
en pistache-ijs als toetje na. Om 15.00 uur bereikten we pas de
tweede ruïnestad, Thuburbo Majus. Het was schitterend weer de hele dag, dus
de foto's waren van goede kwaliteit. Dit stadje was iets kleiner dan Dougga en
werd welvarend dankzij de graanhandel. Keizer Hadrianus placht hier wel eens te
overwinteren. De reis terug duurde lang. Ik las ondertussen. Buiten tamelijk
veel armoede en verwaarlozing langs de wegen. Overal doemden kinderen op. In de
meer afgelegen streken zwaaien ze meestal, maar soms gooien ze wel eens met
stenen. Eenmaal terug in het hotel ging ik direct eten. Aan de tafel heerste een
gewapende vrede. De ober waarmee ik eerder een woordenwisseling had gehad,
toonde zich desondanks vriendelijk, zodat ik over mijn hart streek en hem een
fooi gaf. Misschien was hij daar wel op uit ... Die avond volgde ik het zelfde
ritme als altijd, inclusief een korte strandwandeling. De zee was opvallend
rustig, stilte voor de storm? |
 |
|
|
|

|