EEN
VOLGELOPEN VULKAANKRATER
Robbert
"schopt" Clim op vriendschappelijke wijze uit bed. Deze toont zich
zowel letterlijk als figuurlijk lichtgeraakt en geeft blijk van een lelijk
ochtendhumeur. We pakken in en ontbijten. Ben noteert de prijzen van alles wat
we hebben gebruikt aan drank en voedsel en stelt aan de hand hiervan de
rekening op. Zonder dat die gecontroleerd wordt kunnen we deze betalen; een
uniek systeem.
 |
 |
De
taxi kost 60 gulden. Het is zo'n 200 km naar Prapat. Onderweg zal hij nog
enkele bezienswaardigheden aandoen. Het is een oude, afgeleefde bak met
versleten banden, maar hij blijkt best nog solide. De chauffeur heet Ingin en
spreekt geen woord Engels. Hij rijdt betrouwbaar.Al snel bereiken we de eerste
stop bij het uiterst authentieke Karo-dorp Lingga. We krijgen een rondleiding
van een 30-jarige roomse Batakker. Hij spreekt een mengelmoes van Engels en
Nederlands. Het volk leeft er nog steeds volgens de eeuwenoude tradities. Ze
leven in enorme houten huizen, bedoeld voor meerdere
gezinnen en generaties uit één familie (de zgn. "extended family")
en aardbevings bestendig. De ingang van de woning is laag, zodat je verplicht
bent voor de huisgod te buigen. Clim bewijst dat hij geen ezel is: hij stoot
slechts drie keer zijn hoofd aan de dwarsbalk boven de deur. Tussen de huizen
en eronder (want ze staan op poten) wroeten talrijke varkens. Batakkers zijn
enthousiaste varkensvleesliefhebbers. Ook ander vee loopt er vrij rond. Het
koningshuis is al helemaal imposant: er zijn 5 stookplaatsen, voor elke
familie een. Het dak is bedekt met palmbladeren. We kopen van de gids
souvenirs: Robbert een soort kalender, Ben een fluitje (waarmee de Karo-pubers
naar de meiden fluiten) en Jos een medicijnenkoker met
houtsnijwerken deksel. De sympathieke gids vangt een fooitje.
TOBAMEER
Afmeting Tobameer 30 x 100 km /
Diepte meer 460 m / Vulkanische as 2800 km
Het rustige water van het Tobameer, het
grootste meer van Zuidoost - Azië, geeft niet de indruk dat het
op de plek ligt van de grootste vulkaanuitbarsting van de
afgelopen 2 miljoen jaar. Ongeveer 75.000 jaar geleden
explodeerde een enorme vulkaan en ontsnapte er uit spleten
gloeiende vulkanische as. Deze as, die zelfs tot in India wordt
aangetroffen, vormde bedden van tufsteen van maximaal 500 m
hoog.
De uitbarsting werd gevolgd door een
vulkanische winter die zes jaar duurde en waarin de gemiddelde
temperaturen op de wereld daalden tot 15 graden C. Deze
gebeurtenis is misschien van invloed geweest op de evolutie van
de mens. DNA-bewijs suggereert dat er hierna nog slechts 10.000
personen verspreid in groepen leefden. In het gebied zelf heeft
de uitbarsting het meeste leven weggevaagd. Na de uitbarsting
stortte de vulkaan in en ontstond de krater waarin tegenwoordig
het Tobameer ligt, een van 's werelds diepste kratermeren.
Hoewel er in historische tijden geen uitbarstingen meer zijn
geweest, kwamen er wel aardbevingen voor. De koepel in de krater
komt omhoog en vormt in het meer het eiland Samosir dat groter
is dan Singapore. |

De
volgende stop is bij de Sipisopiso-watervallen. De waterval is niet zo
indrukwekkend (naar schatting 100 meter hoog en smal; wij zitten net in de
droge tijd) en het plekje hier ademt een toeristische sfeer met een grote
parkeerplaats en een aantal souvenirstalletjes. We hebben er wel een grandioos
uitzicht over het noordelijke gedeelte van het Tobameer. Je kunt van hieruit
goed zien dat het van oorsprong een enorm kratermeer is. We kopen er kaarten
en drinken koffie en thee. En wie komt daar net aanzetten op het moment dat we
vertrekken? De zwijgzame Zwitser.
Een
bar slechte weg met diepe kuilen voert ons naar het dorp Purba waar het paleis
van de koning van de Sinagulung Batakkers gelegen is. Het wordt nu niet meer
bewoond. De koning is in 1947 een kopje kleiner gemaakt door zijn landgenoten
en onderdanen omdat hij met de Hollanders gecollaboreerd zou hebben. Zijn
zoon, inmiddels hoogbejaard, verstrekt in het Engels tekst en uitleg. We
noemen hem Koning Eentand, waarom laat zich raden. De oude adatwoningen zijn
erg goed geconserveerd en vormen daarom ook een trekpleister Voor de lunch
stoppen we bij een driesterrenhotel met een fenomenaal uitzicht over het meer.
Ingin wil er aanvankelijk niet stoppen (te duur vindt hij), maar wij dringen
aan. Het colaatje voor de chauffeur wordt ongevraagd op onze rekening
geschreven, dat is hier een ongeschreven wet.
|
 |
 |
Ook
de laatste tussenstop bij een kiosk op de hoge oever van het meer biedt een
mooi panorama. Maar het paard ruikt stal en we willen verder. Bij het
binnenrijden van Prapat wijst Ingin ons een reisbureau aan, hij weet dat we zo
snel mogelijk plaatsen naar Bukittinggi willen boeken. Bij een doorlaatpost
moeten we een soort entreegeld voor de stad betalen. We hebben een hotelletje
uitgezocht dat in onze reisgids goede kritieken kreeg, hotel Soloh Jaya. Er
zijn lege kamers genoeg. Ben slaapt nu bij Robbert en de twee broers mogen
elkaar enkele dagen het leven zuur maken. We betalen fl 9 per persoon. Op het
dakterras van het hotel met alweer een fraai uitzicht over het haventje, het
meer en het eiland Samosir dat wazig in de verte ligt, wordt ter ontvangst
koffie geserveerd door de 2 meisjes van de receptie, die tevens als
kamermeisje en serveerster fungeren. Ze heten Emy en Ida en zijn zeer "anschlussfreundlich".
Ben valt bij de jongste in de smaak, terwijl Robbert zich in de belangstelling
van beide jongedames mag verheugen. Jos en Clim zijn in hun ogen duidelijk te
oud. Trouwens, Jos beweert dat hij getrouwd is en 2 kinderen heeft; Clim houdt
vol dat hij gescheiden leeft. Leugens dus, allemaal verzonnen. Maar goed, als
we de waarheid vertellen dat we twee vrijgezellen zijn, zullen ze ons toch
niet geloven.
| Na
een gezellig uurtje wandelen we naar de hoofdstraat van het stadje dat
volgepropt lijkt met hotels en andere toeristische voorzieningen. Er is echter
weinig vreemdelingen verkeer, na de Golfoorlog is in het reizen naar
Indonesië ietwat de klad gekomen. We lopen enkele reisbureaus af om naar
prijzen (taxi of bus) naar Bukittinggi te informeren en evt. al te reserveren.
Tweehonderd vijftig gulden horen we als laagste tarief. We nemen nog geen
beslissing. Jos vergeet ergens zijn aansteker, een kind komt hem die rennend
nabrengen. We gebruiken het avondeten bij een smetteloos Chinees restaurant,
waar tevens een apotheek wordt gerund. De rest van de zoele avond brengen we
door op het dakterras met flessen gekoeld bier onder
handbereik. Flarden gezang van drinkende groepen Batak jongelui dringen
tot ons door. Ze zingen evergreens zoals "On the Bayo".
|
 |
Het
wordt een zwaar bewolkte en sombere dag wat het weer betreft. Als ontbijt eten
we in de buurt van de levendige markt bij de haven ham-, kaas- en champignon-
omeletten. Jos koopt een tros bananen van een vief zakenvrouwtje, dat hem met
een wisseltruc in de luren tracht te leggen. De overtocht naar Samosir-eiland
duurt een half uur. Er staat een stevige bries met als gevolg een zware
deining en een hoge golfslag. De boot ploegt amechtig door het onstuimige
water. Bij het schiereilandje Tuk Tuk ontschepen we ons. Eerst op ons gemak
koffie drinken om plannen uit te stippelen. We besluiten een lange en gezonde
wandeling te maken rond het schiereiland.
 |
ALTIJD LEKKER ETEN
In het Chinese restaurant Hong Kong dineren we geheel
in stijl met enorme porties. En dat tegen onwaarschijnlijk lage prijzen.
|
| |
|

Tuk
Tuk was vroeger een echte hippiekolonie. Tegenwoordig is het bezaaid met
spotgoedkope onderkomens voor trekkers van westerse origine. De logementen
zijn gebouwd in typische Batakstijl en liggen veelal aan het meer. Hier spreekt men niet alleen Engels, maar
desnoods ook Frans, Duits en Nederlands. Het voedsel is aangepast aan de
westerse smaak. Er hangt een ontspannen sfeertje, begrijpelijk, want er is
niet veel te beleven en er zijn weinig momenteel
toeristen.
We
nemen een paadje in de richting van Tomok en geraken zo op de geplaveide weg.
De wandeling trekt zich lang, maar de omgeving vergoedt veel. We zien sawa's
en karbouwen, geitenhoeders en volgestouwde kleurige minibusjes trekken
voorbij. Robbert blijft soms achter en maakt een vermoeide indruk. In het
dorpje Tomok gebruiken we saté met vers geperst sinaasappelsap als lunch.
Daarna gaan we op zoek naar de koningsgraftombe, maar die vinden we niet en we
verdwalen tussen de sawa's. Soms moeten dwars door desa's die hier bestaan uit
4 grote longhouses op palen binnen een aarden omwalling, begroeid met bamboe
en dergelijke gewassen. Clim deelt aan plotseling opduikende kinderen
dubbeltjes en stuivers uit.
|
 |
We
stoten op vreemde graven die op een kunstmatige stenen heuvel zijn gebouwd.
Uiteindelijk vinden we de tombe van radja Sidabutan met stenen figuren er
rondom heen midden in het dorp, we zijn er straal aan voorbij gelopen. Het is
er een echte kermis met
tientallen kraampjes. Robbert, Clim en Ben houden zich bezig met de inkoop van
zogenaamd oude munten uit de vorige eeuw. Robbert tawart een munt van 85.000
roepia af tot 10.000 roepia en is apetrots op die prestatie. In Nederland
aangekomen blijkt de munt vals te zijn.
Met scheepsladingen tegelijk zijn oude
dagjestoeristen uit de 3 sterrenhotels losgelaten op het dorp. Valkenburg aan
het Tobameer. We voelen ons niet op ons gemak. We houden het voor gezien en
zoeken de aanlegsteiger op, de goeie hopen we.
|
We
blijken ons deerlijk vergist te hebben, het is toch niet de goede steiger.
Honderd meter verderop vertrekt onze veerboot net. De ons omringende
kindertjes bemerken onze vergissing en beginnen en massa te roepen:
"Prapat! Prapat!". Vertederend natuurlijk, maar die boot komt echt
niet meer terug, denken we. Maar jawel hoor, het lukt de kindertjes de
aandacht van de schipper te trekken. Deze wendt de steven en vaart op ons af
om ons op te pikken. Bij wijze van dank koopt Jos voor een veel te hoge prijs
zakjes pindanootjes van de van trots stralende kindertjes. Af en toe maak je
hier een grootse service mee. Op de boot vermaakt Clim met bekkentrekkerij
twee meisjes die niet meer bijkomen van het lachen. Zo'n kaalhoofdige
westerling weet nog niets eens hoe hij pinda's moet pellen!
|

|
PRAPAT
De aanlegsteiger van de veerbootjes in Prapat. Van
hieruit kun je naar het eiland Samosir varen dat aan de overkant te zien
is.
|
Eenmaal
in het hotel kruipt Robbert linea recta onder de wol. Hij voelt zich niet
lekker en heeft verhoging. Al gauw ligt hij te slapen. Op onze kamers ligt het
wasgoed klaar, dat hebben we de vorige dag vuil afgegeven. Het regent, dus we
wachten even tot het droog is voor we gaan eten. Robbert wil niet mee-eten
(hij moet dus wel echt ziek zijn...); hij heeft 38.5° koorts en slikt
paracetamol. In onze straat treffen de anderen een bijzonder goed Chinees
restaurant aan, Hong Kong geheten. De tent is zo goed dat we er de komende
dagen terugkomen. Jos probeert met succes krabvleessoep. Ben vergeet zijn
afkeer van bepaalde gerechten en gaat zich te buiten aan uien en garnalen.
Voor
het slapen gaan drinken we in de hotelbar nog wat biertjes. Robbert is ook van
de partij, hoewel bescheiden drinkend. Het vroegere seksleven van Clim is het
onderwerp van gesprek, hetgeen aanleiding is tot menige schaterbui. Ineens
zien we op de tv een kort verslag over de Tour de France. Als één man
stormen we op de beeldbuis af om vooral niets te missen. Lemond rijdt niet
meer in het geel en een Italiaan (Lelli?) wint de etappe. Van meer informatie,
bijvoorbeeld over de prestaties van de Nederlanders, blijven we verstoken. Als
we naar bed gaan is de koorts van Robbert opgelopen tot 38.9°. Veel water
drinken is dus geboden.
| Vandaag
is een rustdag. In principe kan ieder zijnsweegs gaan. Robbert en Jos zoeken
elkaars gezelschap en maken ter verkenning een wandeling door een onbekend
gedeelte van het stadje. Ze maken foto's van leuke kindertjes, kerken en
fraaie palmen. Clim maakt zijn naam als waswijf waar: hij koopt een nieuw
wasmiddel en houdt zich verder bezig met het schoonmaken van zijn kleding. Die
van Ben neemt hij en passant mee. Uiteraard heeft hij van te voren eerst
uitgeslapen, evenals Ben die ook een verwoed langslaper blijkt te zijn. Om
half een treffen we elkaar in Hong Kong voor de brunch. Dat is het juiste
woord want wij allen hebben het ontbijt overgeslagen. Robbert voelt zich weer
kiplekker, zijn koorts is gedaald; zijn gezonde eetlust is ook alweer
teruggekeerd. De brunch krijgt het karakter van een heus diner met veel
gangen. De rest van de middag hangen we wat rond in het hotel, wat kletsend
met de meiden Ida en Emy, cryptogrammen oplossend (daar zijn we alle vier
verzot op), wat lezen en natuurlijk een uiltje knappen. Per slot van rekening
is het rustdag! |

|
Tegen
het vallen van de avond ontdekken we schuin tegenover ons hotel het reisbureau
Bonanza. Daar blijkt een taxi naar Bukittinggi 230 gulden te kosten. We boeken direct. Er loopt ook een oude
man rond, Mr. Jungle is zijn commerciële naam. Hij verzorgt trektochten van
een of meer dagen door de oerwouden. Hij heeft een fotoalbum bij zich en een
boek met geschreven impressies van eerdere klanten. We krijgen best zin in een
jungletocht, maar we hebben nu eenmaal andere plannen en moeten de sympathieke
baas helaas teleurstellen.

|
 |
We
lopen naar de pasar (markt) toe, maar daar is niks te doen. Aan de andere kant
van een heuvel ligt het zogenaamde strand dat we gaan bezoeken. Ook dat valt
bar tegen. Het is er bijzonder armoedig en de sfeer die er hangt doet niet
echt lekker aan. Jos koopt er een grote doerian en laat die met de klewang
opensplijten. De Indonesiërs staan er lachend bij te kijken. Jos vindt de
brijachtige kern lekker, hoewel die enigszins riekt. Clim is al minder
enthousiast en Robbert vindt het vruchtvlees ronduit vies en de stank smerig.
Ben houdt zich verre van elke proeverij op dit gebied. Wat een boer niet kent,
lust hij niet. We nemen een busje terug. Het is niet ver en als Robbert met
zijn kolossale gestalte uit het kleine busje oprijst maakt dit een grootse
indruk bij de mensen. "Belanda besar" hoor je ze uitroepen. Heeft
die reus werkelijk in dat autootje gepast? Ongelofelijk! Dure biertjes in een
warong, zeewiersoep (voor Jos en Robbert uiteraard, die lusten alles) in
restaurant Hong Kong. |
Ambarita
is een dorpje op Samosir dat 5 km ten noorden van Tuk Tuk ligt. We bezoeken er
een vergaderplaats met stenen stoelen en de vroegere executieplaats waar de
hoofden van veroordeelden werden afgehakt waarna ze voor de ingang van het
dorp op een paal werden gespietst. We willen twee motorfietsen huren, maar dat
blijkt niet mogelijk in dit dorp. Clim wil perse terug naar Tuk Tuk waar dat
wel kan. Maar het is al laat
(tegen twaalf uur), zodat Robbert en Jos de voorkeur geven aan het huren van
een taxi of busje. Ben houdt zich op de vlakte. Er volgt onenigheid en
gekibbel, wat bijna een uur duurt. De meerderheid geeft de doorslag en er
wordt een busje gehuurd voor 45.000 roepia. Robbert versiert dit, heeft hij
weer eens iets te onderhandelen. Behalve de chauffeur rijden er nog twee
andere Batakkers mee, wat heeft dat te betekenen? Zorgen wij toeristen voor
gratis vervoer van de plaatselijke bevolking? Het heeft er sterk de schijn
van. We morren, maar zij geven geen krimp; ze spreken ineens slecht Engels. 30
Kilometer verderop stoppen we bij het Toba Batak-museum. Dat is erg goed
onderhouden. Clim stampt tegen betaling maniok. De adathuizen lijken van
binnen sterk op de woningen van de Karo-Bataks die we al hebben gezien. Clim
wordt een sarong aangepast, maar wijselijk ziet hij daar vanaf. Jos peutert de
zogenaamde gids aan zijn verstand dat hij beter kan ophoepelen omdat we hem
niet nodig hebben.
|

|

|
Clim stampt maniok
|
Een Karo longhouse
|
Hij
sputtert tegen, maar als Jos voet bij stuk houdt kiest hij eieren voor zijn
geld en neemt hij de bus terug naar Ambarita. Hij kijkt beteuterd, want een
mogelijke fooi wordt hem zo door de neus geboord. We gaan verder over de
kustweg aan de noordkant van het eiland. Overal komen we toeristen op
brommertjes tegen; Clim
ziet bijna scheel van nijd en teleurstelling. Om de paar kilometer ligt ook
een of ander gehucht in oorspronkelijke bouwstijl en met verslonsde bewoners
en vervuild vee. Hier en daar is de weg bijna onbegaanbaar. Na een halfuur
komen we aan in het stadje Pangaguran en komen we er achter dat het eiland
Samosir eigenlijk een schiereiland is; de smalle strook water tussen vasteland
en eiland is hier dichtgeslibd. We rijden een berg op en komen uiteindelijk
bij de warmwaterbronnen. Jos praat met een oude baas die nog foto's uit de
koloniale tijd in zijn huisje heeft hangen. Koningin Juliana hangt er ook nog
tussen. Wat, heeft Nederland nu een andere koningin? Dat kan toch niet, zij is
toch niet dood of wel misschien? Jos belooft de grijsaard een foto van Beatrix
te sturen.
|
We
klimmen naar de bronnen, aanvankelijk worden we teleurgesteld, het is niet
veel soeps. Een stuk hoger, over de krijtrotsen, liggen echter de echte
bronnen. De zwavel zorgt niet alleen voor een geur van rotte eieren, maar
levert ook schitterende kleuren in de tinten groen en geel op. Het water is
heet. Vanuit de talrijke fumeroles wordt rook uitgestoten. We maken er veel
foto's.De terugweg gaat sneller. Af en toe stoppen we voor een panoramisch
uitzicht. In een grot aan zee blijkt een haveloze familie op stro te leven.
Schaamteloos en onverbiddelijk hanteren de toeristen er de camera. Wij vinden
het amoreel om deze armoede vast te leggen. Naakte kindertjes spelen er in het
water. Vlak voor Ambarita pikken we een Nederlands paartje op dat daar in een
losmen heeft vertoefd. In Prapat slaan we fruit in als ontbijt voor de
volgende dag; we moeten dan voor dag en dauw op, zodat het ontbijt er
waarschijnlijk bij zal inschieten.
We
pakken alvast onze tassen in. Op het dakterras roepen we Emy en Ida erbij. Er
wordt geposeerd en gefotografeerd. We beloven hen te schrijven, er worden
adressen uitgewisseld. Ook wordt de rekening pijnlijk nauwkeurig opgemaakt.
Bij het afscheid nemen geven we de meisjes een fikse fooi. Die kunnen ze best
gebruiken; ze verdienen erg weinig. Beiden zijn afkomstig uit een groot
boerengezin in de streek rond Siantar. Ze zijn christelijk en hebben nog geen
man kunnen vinden.
|
 |
Om
half twaalf zijn we op onze kamer. Clim en Jos liggen nog wat na te praten als
zij plotseling worden opgeschrikt door een hevig gekraak en een bons. Ze slaan
er verder geen acht op, maar er wordt op de muur gebonkt. Is er iets gebeurd
bij de buren Ben en Robbert? Inderdaad, Ben speelt het klaar om door zijn bed
te zakken. U leest het goed, niet ‘reus’ Robbert zoals verwacht kon
worden, maar Ben! We halen er de kamerjongens bij. Die spreken geen Engels en
nauwelijks Indonesisch, Bataks spreken ze wel vloeiend. Als zij komen
aanzetten met hamer, zaag en beitel moet Jos optreden. Geen getimmer midden in
de nacht! Trouwens de volgende dag moeten we vroeg uit de veren. Jos eist in
zijn zondagse Bahasa óf een heel nieuw bed, óf een nieuwe kamer voor Ben.
Zij zijn niet bevoegd om daarover te beslissen zeggen ze, maar wij dringen aan
en uiteindelijk zwichten ze toch en wordt het een eigen kamer voor Ben. Om
half twaalf ligt deze in een nieuw bed en heeft hij het rijk helemaal voor
zich alleen.
|
TOBAMEER
Een natuurwonder
Vulkanisch geweld schiep het grootste kratermeer ter wereld en
daarmee een van de fraaiste natuurgebieden van Indonesië.
WETENSWAARDIGHEDEN
Het in Noordwest- Sumatra gelegen Tobameer is omringd door vier
bergtoppen van meer dan 2000 m en is het grootste zoetwatermeer
van Zuidoost- Azië. In het westen rijst de Uludarat op tot 2157
m, in het oosten de Pangulubao tot 2151 m, in het noordwesten de
Siluatan tot 2475 m en in het zuidoosten de Surungan tot 2173 m.
Met een waterspiegelniveau van 960 m is het Tobameer een van de
hoogstgelegen meren ter wereld en met een maximum van 450 m
tevens een van de diepste. Geologen schrijven het ontstaan van
het meer toe aan een enorme vulkanische inzinking van ongeveer
75.000 jaar geleden, die zich allengs met water vulde. In het
midden van deze immense waterkom ligt het eiland Samosir, dat
met 530 km2 de helft van het meeroppervlak beslaat. Door de
tektonische bodeminstorting ontstonden rond het meer steile
hellingen, bedekt met naaldbossen met daartussen rotsformaties,
gestolde lava en tufsteen. Instromende rivieren ontbreken, maar
de Asahan stroomt in oostelijke richting uit het meer in de
richting van Straat Malakka. Duizenden jaren geleden
overstroomde het hele meer nog de zuidoostelijke kraterrand.
Door de erosie van het tufsteen ontstonden de watervallen van
Siguragura en Harimo in de Asahanrivier. De oppervlakte van het
zwartgroene meerwater is over het algemeen glad, behalve als er
een zuidenwind opsteekt; die kan in het Toba-bekken tot
stormkracht aanwakkeren waardoor dorpen en cultures onder water
komen te staan. Al in de koloniale tijd was het Tobameer met
zijn steile oevers, de met dennen omgeven stranden en het fraaie
eiland Samosir, een van de populairste verlofcentra van de
Indonesische archipel.
KLIMAAT
Equatoriaal. Gemiddelde temperaturen: januari 25° C; augustus
27° C.
CIJFERS
Oppervlakte: 1.145 km2 / Lengte: 100 km / Breedte: 31 km /
Hoogte: 906 m / Maximum diepte: 450 m / Oppervlak van het
eiland Samosir: 530 km2
Het Tobameer ligt in het land
van de Batak, met de vruchtbaarste landbouwgronden van
Indonesië.
Het Tobameer is het hart van het land van de Batak, een
oud-Indonesisch volk van 3 miljoen zielen,
dat afstamt van de kerngroep Batak Toba.
BEZIENSWAARDIGHEDEN
Eiland Samosir, Prapat, Brastagi, Tomok, Tuk-Tuk, Ambarita,
Simanindo, watervallen van Sipisopiso, de zuidoever van het
meer; De Batakhuizen aan het meer.
BRONNEN VAN INKOMSTEN
Visserij. Landbouw: rijst, maïs, thee. Aluminiumfabriek.
Waterkrachtcentrale. Toerisme, handwerk.
De Hollandse kolonisten waren aanvankelijk volslagen onkundig
van het bestaan van dit meer. Pas in 1853 werd deze streek voor
het eerst bestudeerd door de taalkundige Dr. H.N. van der Tuuk,
die ook de oevers van het Tobameer verkende. In dit fraaie en
vruchtbare gebied had een staat kunnen ontstaan die in macht
niet onderdeed voor Java, maar de voortdurende stammenoorlogen
tussen de versterkte Batakdorpen leidden tot een
gedecentraliseerde maatschappij. Toch hebben de verschillende
Batakstammen hun specifieke sociale structuur, levensgewoonten
en tradities weten te bewaren. Het Tobameer was het centrum van
het Batakland waarvan de proto-Maleise bevolking tot ver buiten
Sumatra bekend stond als animistische kannibalen. Na de
exploratie van Van der Tuuk werd het gebied met succes
gekerstend door Nederlandse en vooral Duitse zendelingen. De
zelfstandige Batak Kerk, aangesloten bij de Lutherse
Wereldfederatie, is een van de grootste protestantse
kerkgenootschappen van heel Azië. In heel Indonesië staat de
eigenzinnige Batak bekend om zijn doorzettingsvermogen.
Batak-gemeenschappen vindt men in Jakarta en alle andere
Javaanse en Sumatraanse steden. Het is geen toeval dat de meest
rendabele en best onderhouden plantages in hun stamland van
Noordwest - Sumatra te vinden zijn, en het Tobameer en het
nabijgelegen Brastagi blijven populaire toeristische attracties.
De uit het meer stromende Asahanrivier is sinds de jaren tachtig
voorzien van waterkrachtcentrales voor de industriegebieden van
Noord-Sumatra.
 |

