|
|
POLONNARUWA
| |||||||||||||||||||||
|
|
|
|
|
|
|
Gal Vihara (Polonnaruwa) Een koninkrijk waar ooit ware religieuze harmonie heerste
De grote Boeddha’s van Polonnaruwa, vertegenwoordigen een tijd waarin ruziënde sekten in religieuze harmonie tot elkaar werden gebracht en vrede – voor korte tijd – neerdaalde over een door oorlog verscheurd rijk. Parakrama Bahu, die in 1153 de Singalese troon besteeg, moest het eerste decennium van zijn bewind eerst zijn vijanden de kop indrukken, maar daarna kon hij zich richten op het verrijken van zijn hoofdstad, Polonnaruwa. Onder de reeks religieuze complexen die rondom de stad ontstonden, bevond zich Gal Vihara, het 'Noordelijk Klooster. De tempelomheining van hout en baksteen is lang gelegen verloren gegaan, maar de prachtige voorstellingen van de Boeddha zijn bewaard gebleven, gebeeldhouwd in de zuidwand van een granieten rots van 51 meter lang. Een portiekachtige tempel, uitgehakt in het graniet, herbergt de kleinste Boeddha en links van de tempel staat een grote zittende Boeddha, met tantrische symbolen. Het gedenkwaardigst zijn echter de beeldhouwwerken rechts. De plechtige figuur van 7 meter hoog is de oudste van de groep. Door de ongewone houding met gekruiste armen identificeerden archeologen het beeld eerst als Ananda Thera, de trouwste leerling van de Boeddha, maar nu wordt aangenomen dat alle beelden bij Gal Vihara de Boeddha voorstellen in verschillende levensfasen. De laatste figuur, uiterst recht, is ook de grootste met een lengte van 14 meter: een serene Boeddha die het Nirvana betreedt. Naast de staande Boeddha vermeldt een inscriptie in reliëf de pogingen van Parakrama Bahu om de diverse boeddhistische sekten te verenigen, en de gedragscode die hij opstelde voor religieuze beoefening. Polonnaruwa bloeide onder zijn heerschappij maar werd later verruild voor een veiligere plaats in het zuiden. Het gebied werd overwoekerd door de jungle, totdat de Britse archeoloog H.C.P. Bell aan het eind van de 19e eeuw de verloren koninkrijken van Sri Lanka begon op te graven. |
Terug in Sigiriya gaat iedereen de hoge rots midden in de vlakte beklimmen. Ik blijf achter in het hotel, hondsberoerd en herhaaldelijk overgevend. Ik breng een zetpil in en ga pitten. Om acht uur word ik wakker, niet geheel hersteld, maar het kan er mee door. Een room boy stormt onaangekondigd binnen met een DDT-flitspuit tegen de muggen, maar ik wimpel hem af. Liever malaria dan vergiftigd worden. Ik sla de Mongoolse barbecue die ons aangeboden wordt over. Ik drink wel, maar alleen sterk aangelengde glaasjes whisky. Ik hou me verre van bier. Later op de avond wordt het zowel buiten als in de kamer echt kil, dat verwacht je niet in de tropen.

|
|
|
De rots van Sigiriya De rots van Sigiriya |
|
Voort gaat de reis de volgende dag. Onderweg ruiken, proeven en kijken we een tijdje in een kruidentuin. Dan volgen de mooie grotten vol Boeddhabeelden in Dambulla. Je hebt er een fantastisch uitzicht. Een zigeunermeisje met een 3 meter lange slang om haar nek schrikt van een simpele koe en begint angstig te huilen. Rond één uur aankomst in Kandy, dat midden in de bergen gelegen is. Hier blijven we wat langer, want het stadje heeft wat meer aan cultuur te bieden, vandaar.
|
|
|
De rotstempels van Dambulla |
|


![]() |
![]() |
