|
|
DAG 9
Jos te paard, Robbert looptOm vier uur stappen we op. Jos vindt direct een geschikt paard en spreekt met de oude baas ervan (noemen we dat een voerman?) een prijs van 3.000 R af. Terwijl hij door de duisternis wordt opgeslokt, staat Robbert nog met lege handen, want niemand wil zijn paardje opofferen aan een al te zwaarlijvige westerling. Per slot van rekening weegt Robbert zo'n 110 kilo schoon aan de haak. Hij besluit in arren moede om te gaan wandelen. Al gauw raakt hij in gezelschap van 4 Italiaanse meiden uit Bologna die ook te voet de krater binnengaan.
Jos heeft ondertussen geen weet van Robbert's wederwaardigheden. Hij zit op de rug van zijn paardje, sterk in het zadel en diep onder de indruk van de magistrale heldere sterrenhemel. Rondom hem heerst een absolute stilte die af en toe wordt onderbroken door het briesen van een paard, het schrapen van boeven over oneffen rotsbodems en de pruttelende scheten van zijn rijdier. Wel mist hij een zadelknop waaraan hij zich in evenwicht kan houden; ook komt de pijn aan zijn kont weer langzaam opzetten. Geregeld kijkt hij om ten einde te zien of Robbert reeds in aantocht is. Maar nee, wie er ook opdoemt, geen Boelie!
Lint van lichtjesIn de diepte van de vulkaan kan men een lint van aan- en uitknipperende lichtjes van de zaklampen van andere toeristen zien. Na de zandwoestijn te zijn overgestoken, rekent Jos met de voerman af en blijft aan de voet van de trappen die naar de kleine krater voeren wachten op Robbert. Die verschijnt pas na een half uur en wel op een fors geschapen paard; pas de laatste paar honderd meter, waar het terrein weer begint te stijgen, heeft hij dat weten te bemachtigen. |
DE BROMODe Bromo is eigenlijk een vulkaankegeltje in een groot vulkaankrater. Je kunt er 's nachts met paardjes naar toe om er van de zonsondergang te genieten. Het is een van de grote toeristische attracties in Oost - Indonesië. |
|
|
|
Vruchtbare omgevingOp de terugweg door de zandzee, die met vulkanisch gesteente is bezaaid, maken we geen gebruik van paarden. Achter ons blijft de fumerole roken. Robbert neemt enkele gave exemplaren van stukken lavasteen mee. Een uur later, het is dan zeven uur 's morgens, zijn we terug bij het hotel. De Tenggerezen hebben hun geld binnen en keren huiswaarts. We huren een busje naar Ngadisari, waar de Chinese chauffeur ons al staat op te wachten. Door een prachtig berglandschap zakken we af naar de kust. De akkers zien er hier welvarend uit en elke vierkante meter van dit vruchtbare vulkanische land schijnt er met gewassen bebouwd, tot zelfs in de diepste kloven toe. Nee, de nabijheid van de Bromo heeft de plaatselijke bewoners bepaald geen windeieren gelegd. Hier wordt ook groente uit meer gematigde streken geteeld: kool, andijvie, prei, etc. |
Tot op 2.000 meter hoogte gedijen de ons bekende groentesoorten. Onderweg worden we af en toe door slaap overmand, maar het slechte wegdek en de rijstijl van de bestuurder brengt ons dan weer hardhandig terug tot de dagelijkse werkelijkheid.
Om kwart over acht bereiken we hotel Ratna, We worden verrast met een geweldig ontbijt. Van negen tot elf halen we enkele verloren uurtjes slaap in. We worden eigenlijk gewekt door een klaaglijk blèrende geit. Door de spleetjes van de rolluiken zien we achter het hotel een stel moslims bezig met het ritueel slachten van geiten. Het bloed gutst met golven uit de met één haal opengehaalde kelen van de offerbeesten; ter plekke worden ze gevild, de complete ingewanden worden er vervolgens uitgerukt. Een niet zo smakelijk gezicht op de nuchtere maag. Op de veranda wachten we op Sentot, ondertussen thee drinkend en kaarten naar huis schrijvend. Om twee uur lopen we met Sentot en vriend het vredige stadje in; de bagage laten we achter bij de receptie.
| Het is zondagmiddag en de bevolking heeft vrij en flaneert ongedwongen over de brede hoofdstraat. We nodigen de twee jongens uit voor een etentje in het Victoria - restaurant dat wordt gedreven door een Chinese familie. Sentots vriend blijkt overigens Bangwang te heten. Een gepland bezoek aan de Engelse school gaat niet door, want die is gesloten. Het strand laten we ook voor wat het is, met name Jos met zijn uitslag heeft daar weinig zin in. De rest van de middag trekken we broederlijk met elkaar op. Als we om half zeven onze tassen bij het hotel ophalen, begint het te stortregenen. Eindelijk kunnen we onze mee genomen paraplu's eens gebruiken. Met de becak rijden we door de stromende regen naar de busterminal. Daar maakt Robbert nog een foto van de tweeling. De bus is te vroeg. We bedanken Sentot uitvoerig voor zijn hulp en drukken hem als blijk van waardering ieder 5.000 roepia in zijn handen, een geste waarover hij zich zeer verguld toont. We zitten helemaal achter in de bus en wel boven op het wiel. We hebben nauwelijks beenruimte, de bus is afgeladen met bagage. |
|
|
|
Voor het vervolg, zie het separate verslag van de week die we op
Bali verbleven op de desbetreffende website van
BALI.
We gaan hier verder met het vervolg van onze reis door
Java en wel vanaf Yogyakarta terug naar Jakarta.